Deontologie


Hulpverlening binnen het thema kindermishandeling doet vaak vragen rijzen rond meldingsplicht, beroepsgeheim en schuldig verzuim. De hulpverlener moet de juridische context waarin hij actief is juist weten in te schatten.

Hieronder leggen we een aantal belangrijke begrippen uit in het kader van het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (VK).

Beroepsgeheim

Het beroepsgeheim in de hulpverlening wordt bepaald door artikel 458 van het Strafwetboek: "Alle personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hen zijn toevertrouwd, zijn gebonden aan het beroepsgeheim."

De medewerkers van het VK zijn gebonden aan het beroepsgeheim.

Zwijgplicht en zwijgrecht

Zwijgplicht (art. 458 Strafwetboek) betekent dat hulpverleners de plicht hebben te zwijgen over informatie die verkregen werd in het kader van hun beroep. Zo mag een hulpverlener de informatie die hij tijdens zijn werk verkregen heeft, niet doorvertellen aan vrienden, familie of derden.

Een hulpverlener kan niet verplicht worden de geheimhouding te doorbreken. Hij mag zwijgen en kan daar niet voor gesanctioneerd worden. Dat heet zwijgrecht.

Zwijgrecht en -plicht leunen dicht bij elkaar aan. Want alleen wie gebonden is aan het beroepsgeheim, heeft soms ook het recht om te zwijgen.
Een voorbeeld: wanneer iemand met beroepsgeheim opgeroepen wordt in een rechtszaak, vervalt de zwijgplicht. Maar het recht om te zwijgen vervalt niet. Je kan dus zelf beslissen of je al dan niet spreekt over (sommige aspecten van) datgene wat normaal valt onder de geheimhoudingsplicht. De belangen (beleving) van de cliënt (slachtoffer) spelen hier uiteraard de voornaamste rol.

Spreekrecht

Een hulpverlener heeft spreekrecht als een ernstige schending vastgesteld wordt van de fysieke of psychische integriteit bij een minderjarige. Ook als er aanwijzingen zijn dat er nog andere minderjarigen hiervan slachtoffer zijn of kunnen worden en wanneer de betrokken hulpverlener samen met eventuele andere hulpverleners niet meer kan instaan voor de veiligheid van de minderjarige(n) kan hij oordelen dat een hoger belang dan zijn beroepsgeheim moet gevrijwaard worden. Hij kan dan gebruik maken van het spreekrecht zoals omschreven in artikel 458 bis van het Strafwetboek en een melding doen bij de Procureur des Konings/het Parket (niet bij politie).

Een hulpverlener kan zich ook beroepen op het spreekrecht bij een getuigenis onder ede of voor een eigen verdediging. In deze laatste situatie mag het beroepsgeheim altijd doorbroken worden.

Schuldig verzuim

Iedere burger heeft de verantwoordelijkheid om een persoon in nood te helpen. Als je dat niet doet, pleeg je schuldig verzuim.

Als hulpverlener die gebonden is door het beroepsgeheim hoef je niet meteen de politie op te bellen, maar je moet wel kunnen aantonen dat je er alles aan gedaan hebt om de persoon in nood te helpen, hetzij door zélf hulp te bieden, hetzij door de hulp van anderen in te schakelen.        

Een voorbeeld. Een CLB-arts stelt bij een jongen blauwe plekken vast. De jongen vertelt dat zijn stiefvader hem geslagen heeft. Nu hoeft de CLB-arts niet meteen het gerecht in te schakelen, maar hij moet het kind wel helpen door bijvoorbeeld een beroep te doen op een VK, door de ouders aan te spreken …

Gedeeld beroepsgeheim

De hulpverleners van het VK werken vaak samen met andere hulpverleners die bij het gezin van de minderjarige of de minderjarige zelf betrokken zijn. Bijvoorbeeld CLB-medewerkers, verpleegkundigen van Kind & Gezin, een huisarts … Deze hulpverleners zijn ook gebonden door het beroepsgeheim.

Wanneer er contact is tussen verschillende hulpverleners met beroepsgeheim is er sprake van gedeeld beroepsgeheim. Dit houdt in dat hulpverleners de nodige en relevante info over de begeleiding van de minderjarige en zijn context met elkaar mogen delen en bespreken.

Ambtsgeheim

In tegenstelling tot hulpverleners hebben leerkrachten ambtsgeheim. Ambtsgeheim is niet gelijk aan beroepsgeheim.
Leerkrachten hebben wel spreekplicht, wat wil zeggen dat ze vertrouwelijke informatie moeten doorgeven aan hun diensthoofd (bijvoorbeeld directie). Ze hebben ook discretieplicht, wat inhoudt dat ze geen vertrouwelijke informatie mogen doorvertellen aan derden. Leerkrachten mogen wel vertrouwelijke informatie delen onder collega’s, zolang het relevant is.